Kop in het zand

‘Heb je nou nog steeds last van je hoofd?’
Snel trek ik mijn hand weg en krabbel ter afleiding nog wat aan mijn oor. Tim komt naast me zitten en ik weet dat wegduiken geen zin meer heeft. Verveeld kijk ik hem aan, omdat ik het op dit moment gewoon heel irritant vind dat hij meer ziet dan ik wil laten zien.

Als je het er niet over hebt, dan is het er niet; een tactiek die niet meer lijkt te werken. Dus met mijn kop nog tussen de zandkorrels verstopt, bel ik de huisarts op en ook hij vindt het toch wel verstandig dat ik even langs kom. Top…

Een paar uur later doe ik mijn zegje in de spreekkamer en met het kompas op stress en onverwerkt verdriet, probeer ik de beste man een richting op te sturen. Hij ziet het en rijkt me meerdere tissues aan, want huilen doe ik wel. Niet zo zeer van de pijn, maar ‘gewoon’ van die grote bak ellende die achter ons ligt en waar ik momenteel nog steeds op probeer te balanceren.

‘Ik wil toch nog even naar je schedel kijken als je dat goed vindt.’ Kak… daar gaan we dan. Laat het alsjeblieft ‘gewoon’ stress zijn. Daar kan ik zelf iets aan doen en als dat niet lukt, vast wel mét hulp.

Zijn handen glijden zijdezacht over de rechterkant van mijn bolletje en ik moet mijn best doen om mijn handen thuis te houden. Het liefst mep ik zijn handen weg. Heel hard.
‘Agressief word ik van de pijn.’ Ik zeg het hardop. Met tranen in mijn ogen.

‘Ik vermoed dat de slagader in je hoofd ontstoken is.’ Hij zegt het ook hardop. Ik heb koorts en alles wijst erop dat de ader tegen een zenuw aandrukt. Ik krijg Prednison. Een spoedverwijzing voor de neuroloog in het ziekenhuis en een bemoedigend klopje op mijn schouder.

‘Bel me als er iets verandert.’

Maar eerlijk... misschien durf ik dat niet.


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.